Kasteel Smallegange
Het is aangenamer om kastelen in de lucht te bouwen dan op de grond. (Edward Gibbon)
Tijdens mijn lagere school tijd maak ik met mijn vader iedere zondag een ochtendwandeling. We praten over van alles en nog wat, waarbij ik de onderwerpen mag aandragen. Mijn vader is er dan helemaal voor mij. Afgezien van de paar keer dat ik geen zin heb, is iedere wandeling een mooie belevenis voor me.
Tegen tienen gaan wij het tuinpad uit. De
kerkgangers zijn net gepasseerd.
Vlak voor het spoor slaan we de Weg Naar Het Stomme Kruis in. Bij de Grenslinde springen we over een sloot om een boomgaard te doorkruisen. Dat kan ongevraagd, op zo’n stille zondagochtend. Mijn vader kijkt graag in de boomgaarden van anderen om te zien hoe zíj de werkzaamheden aanpakken. Binnen de gemeenschap van fruittelers zijn er veel contacten. Het is een lerende gemeenschap. Ze volgen cursussen in de avonduren om nieuwe teelttechnieken te leren en ze bespreken onderling hoe bij hen de Golden Delicious of de Bonne Louis erbij hangt. Er komt heel wat bij kijken om de boomgaarden tot een zodanige productie te brengen dat er een gezinsinkomen aan kan worden verdiend.
Als we de boomgaard weer uit zijn, volgen we Het
Verloren Weegje in de richting van mijn vaders land in de Noordhoek. We lopen
daar niet in, maar gaan via de Dijkwelseweg naar Het Abbekinderse Bos, in de
volksmond Jachtse Bus (en tegenwoordig ook wel Bos van de toekomst). Het is in de jaren ’60 één van de weinige bossen en
misschien wel het enige bos op Zuid-Beveland.
“Waar komt die naam Jachtse Bus eigenlijk
vandaan?” wil ik weten.
“Bus is Zeeuws voor bos. Het was vroeger eigendom
van de Ambachtsheren van Kloetinge. Ze gebruikten het om in te jagen. Voordat
zij het bezaten hoorde het bij Het Kasteel van Smallegange dat aan de
Abbekinderse Zandweg stond.”
“Hoe lang is dat geleden?”
“Zestiende eeuw, denk ik. Het kasteel stond op een heuveltje. Ik kan me nog herinneren dat de restanten van die heuvel zijn afgegraven.”
We steken Rijksweg 58 over en passeren een
landje, dat mijn vader huurt en Het Prumenbogerdje wordt genoemd. We lopen de
Abbekinderse Zandweg in.
“Waar stond dat kasteel dan?”
“Nou, je ziet dáár het Jachtse Bus en dáár
verderop zie je hoeve Olmenstein.” Met één zin en weidse gebaren schetst hij de
historische situatie.
![]() |
| Bron: https://kennis.cultureelerfgoed.nl/index.php/Monumenten/45702 |
“Woonden daar ridders en zo?”
“Het zou een versterkt huis op een heuvel zijn
geweest. Dat noemen ze een Motte.”
“Versterkt?’
“Ja een huis dat verdedigbaar was
tegen geboefte.”
“Waarom hebben ze die kasteelberg afgegraven?”
“De boer, van wie het was, wilde zijn land vergroten.”
Ik staar naar Het Jachtse Bus en tover voor mezelf de contouren van een kasteelberg met daarop een versterkt huis voor ogen.
“Waren er ook kantelen?”
Mijn vader lacht. “Dat weet ik niet, maar als
je wilt, verzin je die er hier ter plekke gewoon bij?”
Voor mijn ogen verschijnen kantelen op het versterkte huis. Wat ik zie, lijkt op het plaatje hieronder. Niemand weet hoe het kasteel er echt uit heeft gezien.
“Waarom heette het kasteel: Smallegange?”
“Het lag aan een kreek die tussen Kapelle en
Goes in liep. Een kreek heet ook wel een gang, een watergang.”
“Dus het was een smalle kreek?”
“Dat zal wel hè,” lacht mijn vader, “De familie die er woonde ging zich Smallegange noemen. Maar in de zeventiende eeuw was het al afgelopen met het geslacht. De motte, zoals ze zo’n kasteeltje op een berg ook wel noemen, werd afgebroken. Er is in de zeventiende eeuw een geschiedenisboek over Zeeland geschreven door een Mattheus Smallegange, die beweerde dat hij van dat geslacht afstamde. Tsja, wie zal het zeggen. Ik heb niks met mensen die beweren dat ze van adel afstammen. Zo beweert mijn moeder dat we ook een Smallegange bij onze voorouders hebben. Daar moet ik altijd maar een beetje om lachen, want als het al zo is, wat heb je er aan?”
“Zullen we het Abbekinderse bos ín gaan?” vraag
ik.
“Liever niet,” zegt mijn vader, “Er schijnt
nogal wat wild rond te lopen en de jachtopziener stuurt bezoek altijd weg.”
We lopen terug naar Rijksweg 58 en gaan via het
fietspad naar het Viaduct.
Ik zie de hoge populieren langzaam voorbij gaan.
“Wat staan er nog meer voor bomen, behalve
populieren?”
“Dat zal niet veel zijn. Het is een productiebos. Als er andere bomen tussen staan groeien de populieren minder goed, denken ze. Maar je ziet lager bij de grond allerlei struiken, vlierbes en zo.”
“Kijk,” zeg ik wijzend op een kruid in de
slootrand, “speenkruid.” Dat moesten we van meester Van Kruiningen mee naar
school nemen.
Nu we langs het bos lopen, lijkt mijn besef van de omvang te verdwijnen. Ik heb het gevoel dat we naar een grote groene oase kijken, waar geen eind aan komt. Maar ik weet dat het Abbekinderse Bos hooguit zo’n 11 hectare groot is.
Ik tuur door de bomen en zie verderop een ree wegspringen.
Even komt het bos heel dicht bij het fietspad van
Rijksweg 58, maar daarna is er weer een eind gekomen aan de groene betovering. Over
het talud van het viaduct dalen we af naar de spoorlijn. Daar vinden we een pad
dat ons naar de hoeve Spoorzicht leidt. Een trein raast toeterend aan ons voorbij.



Reacties
Een reactie posten