Vroegste herinnering

Herinneringen zijn de architectuur van onze identiteit. (Daniel Kahneman)

Het is zomer 1959 of 1960. Op de bagagedrager gezeten word ik als vijfjarige naar Abbekinderen gebracht. Aan beide kanten van het achterwiel laat ik een been bungelen. Mijn benen slapen, maar ik kan toch maar mooi op mijn gemak om mij heen kijken, terwijl een ander het werk doet.

We zijn al een eind gevorderd, want we passeren de hoeve van Van Liere. Daar tegenover ligt een van de boomgaarden van mijn vader, waar herfstfruit groeit dat pas later geplukt wordt. Vanuit de verte klinkt het geraas van het verkeer op Rijksweg 58. Door het toeristenverkeer wordt het steeds drukker. Op de hoek van de Abbekinderse Zandweg en Rijksweg 58 ligt een niet al te grote boomgaard. Het boomgaardje wordt van de Rijksweg gescheiden door een grasveld.


Tot voor een paar jaar heeft er op het grasveld een Pipo de Clown wagen gestaan, waar een Goese handelaar fruit verkocht, onder andere uit de boomgaard van mijn vader. Toeristen op hun weg naar Walcheren stopten er even voor. Door de toenemende drukte werd het halthouden en weer wegrijden van auto’s op deze plek te risicovol en de eigenaar van het veldje, Rijkswaterstaat, stopte met de verhuur. De handelaar ging fruit verkopen bij Biezelinge. 

Aan de rand van de Rijksweg kijk ik naar het voorbijrazend verkeer. Achter het boomgaardje rijzen de hoge populieren van het Abbekinderse bos op. Er is me geleerd dat ik nooit mag oversteken als het zo druk is. Maar er is een oplossing. Onder de weg door loopt een betonnen buis die de sloten aan weerszijden met elkaar verbindt, een duiker. We bevinden ons in een iets hoger liggend gebied en de duiker staat meestal droog.

Ik kruip op handen en knieën door de betonnen buis naar het lichtpunt verderop. Hier en daar maakt een spin op lange poten dat ze weg komt.

Ik kom uit in een droge sloot aan de andere kant van de Rijksweg en scharrel, mij aan graspollen vastgrijpend, omhoog. Ik zie mijn vader in de boomgaard staan met een club werkvolk om zich heen. Het is net na de middag en ze moeten weer aan de slag. Dan stopt er een auto met een Belgische nummerplaat bij het veldje. Ook al is Tilroe weg, er is toch nog sluikhandel.

“Bonjour monsieur, nous voudrions acheter un panier de cerises chez vous.”

“Très bien,” antwoordt mijn vader.

Sipje

Hij loopt naar het schuurtje en haalt een zogenaamd sipje tevoorschijn. Dat is een rechthoekig gevlochten mandje met een hengsel. Nadat hij het sipje onder toeziend oog van de Walen vol kersen heeft gedaan, zegt hij “Dies francs.”

Dit vind ik een reuzemop, want mijn vader heet Dies met zijn voornaam.

Een van de Walen telt dix francs in de grote vereelte handen van mijn vader.

“Merci beaucoup,” zegt mijn vader.

“Voilà,” zegt de Belg.

Mijn vader houdt zich toch maar mooi staande in de wereld van de internationale handel.

De Belgen vertrekken en met mijn vader loop ik een rondje rond de boomgaard. Achterin scheidt een betrekkelijk smalle strook akkerland ons van het Abbekinderse Bos.

“Gaan we daar naar toe, naar dat bos?” vraag ik.

“Liever niet,” zegt mijn vader, “Je hebt kans dat de jachtopziener je pakt. Dat komt wel eens voor. Hij is een barse man”

Ik kijk naar het hoge populierenbos. Het lijkt ineens donkerder en verder weg.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Populieren planten

Hoe ik Biodiversiteitsdag vierde