Het vervallen boerderijtje

Ik vraag me af waarom vooruitgang zo veel op vernietiging lijkt. (John Steinbeck)

In mijn vroege jeugd zie ik de oude rijksweg 58, die langs het Abbekinderse Bos loopt, jaar op jaar ’s zomers meer dichtslibben door het toenemend toerisme naar Walcheren. Een moderne snelweg met vier rijstroken wordt onontkoombaar geacht. Halverwege de jaren zestig valt het regeringsbesluit om dwars over Zuid-Beveland een autoweg aan te leggen, van Bergen op Zoom naar Het Sloe. Deze nieuwe weg snijdt percelen grond doormidden en laat landweggetjes ophouden te bestaan. Hier en daar moet een huis of boerderij worden afgebroken. Zo ook ten zuiden van het Abbekinderse Bos. Samen met een vriendje ga ik het bekijken.

Een keer na schooltijd staan mijn vriendje Peter en ik in de boomgaard aan de Dijkwelseweg te kijken naar mijn vader die een afwateringssleuf graaft. Midden in de goudrenettenboomgaard is er een waterput geweest die mijn vader dempte vanwege de bouwvalligheid. Maar daardoor is er een drassige plek ontstaan, waarvan hij het water wil weg leiden via die sleuf. Zijn idee is de sleuf te vullen met snoeihout en daar dan weer de vrijgekomen grond overheen te storten. Hij vertelt enthousiast over zijn drainagesysteem en we kijken enige tijd met bewondering naar zijn werkkracht en zijn werkplezier.

Na een half uur is het tijd voor wat anders.

“Kijk maar eens of er achter het Abbekinderse Bos iets te beleven valt,” zegt mijn vader. "Er gaat daar een nieuwe snelweg aangelegd worden en één dezer dagen beginnen de werkzaamheden." Dat klinkt spannen genoeg en we gaan op weg. Zalige jeugd waarin je zoveel vrijheid wordt gegund om te zwerven langs ’s Heren wegen.

Het is late herfst en al gauw zien we het Abbekinderse Bos als een grauwe heuvel boven de dijzige omgeving oprijzen. We rijden de Abbekinderse Zandweg in en bij de eerste bocht naar rechts zien we links voor ons op een perceel grond een vervallen boerderijtje staan. We drentelen er over een 200 meter lange dreef naar toe, ondertussen vrolijk pratend. Op het verboden toegang bordje slaan we geen acht.

“Deze boerderij gaan ze afbreken voor de aanleg van de nieuwe weg,” zeg ik met een toon vol van ter zake deskundigheid die nergens op slaat. We houden stil bij de pui van het boerenhuis.
“Durf jij naar binnen?” vraag ik aan Peter.
“Natuurlijk durf ik dat, maar eh durf jij eigenlijk wel?”
“O ja hoor,” zeg ik onzeker.
“Misschien ligt er wel een schat.” oppert Peter.

We staan een tijdje te kijken. Dan zet Peter de eerste stap, hij moet nu wel.  Met een stok maait hij min of meer een weg door het verdorde onkruid naar de voordeur. Dat is eigenlijk helemaal niet nodig, maar hij lijkt moed te putten uit krijgshaftig gedrag.

Ik blijf staan en aanschouw zijn verrichtingen, een beetje bang en zenuwachtig. Ik heb het er niet op, want de uitstraling van het geheel is naargeestig. Dat wil ik natuurlijk niet laten merken en in een poging humoristisch en ontspannen te lijken zeg ik: “Er is al lang geen schilder meer aan het werk geweest.”

Peter maait nog een lapje bruine brandnetelresten voor de pui van het huis weg en gluurt door de kapotte ruiten naar binnen.
“Er valt behoorlijk wat licht naar binnen,” roept hij.
“Wat zie je,” roep ik.
“Zeer oud meubilair met zeer veel vogelkak erover heen.”
“Liggen er ook schatten?”
“Kom zelf maar eens kijken, held. Dan hoef je niet alles te vragen,” schampert Peter.
Behoedzaam sluip ik dichterbij. Dat heb ik uit de boeken van Arendsoog en Witte Veder, die sluipen ook altijd.
Met een zeker misprijzen neem ik de binnenshuis-vuilnisbelt in ogenschouw.
“Smerige ouwe zooi.”


Plotseling zakt een rij dakpannen van het dak. Wat een herrie.
We rennen weg, want wie weet komt er nog meer omlaag vallen. Tot onze schrik lopen we zo in de armen van de … jachtopziener.
“Willen jullie eens maken dat je weg komt!” buldert hij.
We knikken van ja, springen op onze fietsen, die we in de berm van een sloot hadden achter gelaten en spurten er vandoor, de Abbekinderse Zandweg weer in.
“Zullen we het bos in gaan?” oppert Peter.
Ik kijk achterom en zie dat de jachtopziener ons nakijkt.
“Dat lijkt me geen goed plan,” zeg ik.

We fietsen terug naar mijn vader en ik vertel hem ons avontuur.
“Dat boerderijtje staat op de nominatie om afgebroken te worden voor de aanleg van de nieuwe weg,” zegt hij.
“We wilden nog even naar het Abbekinderse Bos, maar dat hebben we niet gedurfd,” zucht ik, “de jachtopziener stond te kijken.”
Hij lacht maar eens. Die jachtopziener toch.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Vroegste herinnering

Populieren planten

Hoe ik Biodiversiteitsdag vierde