Goede bedoelingen
'People are always meaning well,' said Edward. 'That's often the trouble. (Penelope Lively, Passing On)
Een kleine advertentie in huis-aan-huis blad De Bevelander biedt medio 1960 een gratis af te halen herdershond aan op een adres iets en zuiden van Goes. Achterop de fiets mag ik met mijn vader mee om hem te halen. Onze route ernaartoe loopt grotendeels over een weg die in zijn eentje Vierwegen heet.
Bij een onverklaarbaar bewoonde woning rammelt mijn vader aan het tuinhek onder het roepen van “Volluk!”Een grimmig kijkend vrouwmens komt te voorschijn.
“Goedemorgen mevrouw, ik kom voor de hond,” verklaart mijn vader ons bezoek.
Zonder verdere plichtplegingen haalt de vrouw des huizes van achter het huis aan een touw een herdershond naar voren.
“Hij heet Arno en hij is een rotbeest,” waarschuwt ze, mijn vader het uiteinde van het touw in handen duwend.
Na deze opbeurende overdracht gaan wij gedrieën weer op huis aan.
“We gaan proberen er nog iets van te maken,” bromt mijn vader als ik achterop de bagagedrager klauter. Terug naar huis nemen we de Abbekinderse Zandweg. Vanaf mijn veilige plekje achterop kijk ik oplettend naar Arno, maar in weerwil van het visitekaartje dat hij van zijn vorige eigenaresse heeft mee gekregen lijkt hij me eigenlijk best een vrolijk dier. Hij rent goed mee, er lijkt geen narigheid in hem te zitten. Halverwege de fietstocht remt hij af. Mijn vader houdt halt, zodat Arno de poepmachine even kan laten werken. Die doet het in ieder geval goed. Man, man.
Thuis aangekomen krijgt hij een plaatsje vlak achter het huis, middenin de driehoek kippenhok, zandbak en schuur. Aan de ketting voorlopig, want men weet maar nooit. Hij zit eerst wat onwennig om zich heen te kijken, maar legt zich vervolgens bij het voldongen feit van de verhuizing neer. ’s Middags verschijnt een leurder met een fiets vol borstels aan de achterdeur. Het aan de ketting leggen van Arno getuigt van een voorzienende geest. Arno gaat als een waanzinnige tegen de handelsman te keer. Die is nooit meer aan de achterdeur verschenen, maar belt voortaan aan de voordeur. Doordat Arno dit door hem ingezette woeste begroetingsbeleid consequent doorzet wordt het binnen enkele weken buitengewoon rustig aan de achterdeur. De fondsenman van het dooienfonds, de balpenventer, de ziekenfondsman, de colporteur van weekbladen waar we niet in geïnteresseerd zijn, een grote diversiteit aan pakjesbezorgers, de bezorger van De Gruyter (en betere waar en 10%, alleen De Gruyter), de bakker en vooral de slager, alsmede alle andere deurgasten die voorheen onze achterdeur frequenteren weten dat de voordeur een veiliger plek is om contact met ons te maken.
Maar ik speel gewoon bij Arno in de buurt en van mij kan hij alles hebben. Soms, als Arno rechtop zit, ga ik op mijn knieën naast hem zitten en sla ik mijn arm om hem heen. Het mag gewoon. Ik aai hem over het schitterende hoofd – hij vindt het prima. Ik vertel hem een verhaal – hij hoort het geduldig aan.
Op een winderige en regenachtige dag in
augustus gaan wij een dagje naar Zierikzee. Arno deelt ’s ochtends voor vertrek
in de sensatie die wij allen voelen. Hij huppelt, springt en gekt in de
achtertuin heen en weer en rondom onze fietsen die gereed staan voor vertrek.
Maar vlak voor we weg gaan ondergaat hij de teleurstelling dat mijn ouders met hem een ander plan hebben: hij gaat de schuur in om daar met een bak water en een kluif onze terugkeer laat in de middag af te wachten. Na vertrek hoor ik tot tientallen meters van huis het wanhopige en hartverscheurende gejank van de hond, die zelden alleen thuis is. Nu zit hij in zijn eentje in de schuur. Als we aan het eind van de middag weer thuis zijn, vertel ik alles wat ik gezien heb aan Arno. Hij is zeldzaam blij met onze thuiskomst en hoort mijn verhalen kwispelstaartend aan.
’s Nachts slaapt Arno in de schuur. De schuur is voorzien van kantelramen op ooghoogte. Als ik op de tuinbank klim kan ik hem ’s ochtends zien kwispelstaarten in afwachting van het ontbijt. Maar als een bezoeker die voorzien is van een zogenaamd resting-bull-face het waagt om naar binnen te kijken geraakt Arno in een woede die geen leurder nog heeft meegemaakt.
Van lieverlee mag Arno steeds vaker met mijn vader mee naar de boomgaarden. Hij scharrelt er een beetje rond, snuffelt hier en daar wat en gaat over het algemeen graag lekker lui liggen. Hij krijgt er zijn vrijheid met begrenzingen, omdat hij altijd bij mijn vader in de buurt blijft.
Totdat een gepensioneerde politieagent de pruimenboomgaard bij het Abbekinderse Bos bezoekt. De man is voorzien van een, al eerder genoemde, resting-bull-face. In no time hangt ’s mans broek in flarden aan zijn benen. Mijn vader heeft de grootste moeite Arno onder bedwang te krijgen en aan een boom te binden. In de agrarische cultuur van die dagen vindt er geen heropvoeding bij de hondenpsycholoog plaats. Als een hond niet spoort is het afgelopen met hem.
Thuis zegt mijn vader dat Arno is aangereden door een tractor. Ik huil om het verlies van mijn getraumatiseerde vriend, onbewust van de werkelijke toedracht. Pas enkele jaren later vertelt mijn vader hoe het echt is gegaan.
Hij vond Arno een te groot risico voor zijn omgeving en die nieuwe broek voor de jachtopziener was toch wel een aanslag op het gezinsbudget. Samen met een bevriende jager heeft hij Arno meegenomen naar het pruimenboomgaardje bij het Abbekinderse Bos en daar heeft het arme beest de kogel gekregen. Hij is begraven op de plek waar later het hondenlosloopveld is aangelegd.
“Weet je wat zo vreselijk was?” vraagt mijn vader. “Toen de jager en ik met de hond de boomgaard in liepen, leek hij te voorvoelen wat er ging gebeuren. Hij liet zijn anders zo trotse hoofd helemaal hangen en zijn staart hield hij tussen de benen. Ik ben er dagen beroerd van geweest.”

Reacties
Een reactie posten